Actueel

Wet Civielrechtelijk Bestuursverbod: Een nieuw instrument voor de curator of wassen neus?

Het wettelijk instrumentarium van de curator in faillissement zal binnenkort mogelijk worden versterkt met een middel voor de curator waarmee hij bij de rechter een bestuursverbod kan vragen jegens frauderende bestuurders. Het verbod om als bestuurder op te treden kan voor maximaal 5 jaar worden opgelegd. Het wetsvoorstel is aangenomen door de Tweede Kamer en wordt binnenkort in de Eerste Kamer behandeld.

Een bestuurder die door de rechter een bestuursverbod opgelegd krijgt mag ook geen bestuursfunctie of commissariaat uitoefenen bij een andere organisatie. De wet noemt een aantal gevallen:

  • een onherroepelijke rechterlijke uitspraak dat de bestuurder aansprakelijk is wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur (art 2: 248 BW)
  • doelbewuste benadeling van schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden (de zogenoemde Pauliana situaties)
  • het niet nakomen van de inlichtingen- en medewerkingsverplichtingen
  • indien de bestuurder tenminste tweemaal eerder betrokken geweest is bij het faillissement van een rechtspersoon en hem daarbij een persoonlijk verwijt treft
  • indien een fiscale boete is opgelegd wegens het niet doen van belastingaangifte, het opzettelijk doen van onjuiste of onvolledige aangifte, het opzettelijk verstrekken van onjuiste inlichtingen of het opzettelijk niet of niet tijdig voldoen van verschuldigde belasting.

De wet gaat gelden in faillissementen die zich na de inwerkingtreding van de wet hebben voorgedaan. Ook de feiten in de hierboven genoemde gevallen moeten zich na de inwerkingtreding hebben voorgedaan.

Op het eerste gezicht is sprake van een versterking van de positie van de curator in faillissementen waarin de bestuurder geen medewerking verleent of frauduleus gelden heeft onttrokken. Mogelijk gaat er een afschrikwekkende werking van uit. De minister heeft echter geen extra middelen beschikbaar willen stellen voor curatoren om dergelijke procedures te gaan voeren. Tegenwerking, een ondeugdelijke, onvolledige of zelfs valse boekhouding, het wegsluizen van gelden, het verkopen van zaken aan bevriende partijen voor te lage prijzen, en dergelijke gedragingen komen veelvuldig voor. Het probleem is dat de curator de werkzaamheden om hierover te procederen dient te bekostigen uit wat hij aan middelen uit de failliete rechtspersoon kan halen. De kas van de vennootschap is echter veelal leeg als de curator zijn intrede doet. De vorderingen en de nog niet verdwenen zaken zijn vaak verpand aan de bank en vallen in zo’n geval niet in de boedel. De curator is dan een tandeloze tijger. Er bestaat weliswaar een subsidie om aansprakelijkheidsprocedures tegen bestuurders te bekostigen, maar die subsidie kan niet altijd eenvoudig verkregen worden.

Kortom, er zijn veel faillissementen waar sprake is van frauduleus gedrag, maar bij gebrek aan geld kan er niets tegen worden gedaan. Dat zal dus niet veranderen als de Wet Civielrechtelijk Bestuursverbod in werking treedt. Een ander probleem is dat de gehaaide fraudeur de wet kan omzeilen door gebruik te maken van stromannen of buitenlandse rechtspersonen. Er blijven echter genoeg gevallen over waarbij er van de regeling een afschrikwekkende werking uitgaat en de bestuurder alsnog meewerkt of bewogen kan worden tot het terugbetalen van hetgeen ten onrechte uit het bedrijf is onttrokken. De wet biedt dus op zich wel enige versterking voor de positie van de curator, maar wonderen mogen we er niet van verwachten.

Auteur: mr. R.V. de Lauwere