Actueel

Pandrecht op vorderingen: diverse ontwikkelingen

Aanleiding voor deze publicatie over pandrecht op vorderingen, zijn twee relatief recente uitspraken van de Hoge Raad (de hoogste Nederlandse rechter) over de bevoegdheden van de pandgever. Het pandrecht is van groot belang voor de financieringspraktijk en derhalve ook voor ondernemings- en de faillissementspraktijk. Verpanding van een vorderingsrecht biedt op het eerste gezicht voor de geldlener een sterke zekerheid. Maar is dat wel zo?

  • Korte beschrijving van het pandrecht en het gebruik daarvan

Een pandrecht kan gevestigd worden op tastbare bezittingen, zoals inventaris, auto’s en voorraden. Daarnaast kan een pandrecht gevestigd worden op vorderingen, zoals openstaande facturen. Het pandrecht geeft de pandhouder de bevoegdheid om zelf te incasseren. Of in geval van tastbare bezittingen om zelf de verpande bezittingen op te eisen en te laten verkopen indien de pandgever niet betaalt. Dat recht geldt ook in het geval van een faillissement of indien er door een ander beslag wordt gelegd op de verpande zaak of vordering.

Bij vrijwel elke bedrijfsfinanciering bedingt de bank of financieringsinstelling (hierna: “de  financier”) een pandrecht op alle bestaande en toekomstige vorderingen van de ondernemer die geld leent. De financier is dan de pandhouder, de geldlener is de pandgever. Het vestigen van dergelijke zekerheden is overigens ook mogelijk indien geld wordt uitgeleend door ondernemers of particulieren.

  • Stil pand recht en openbaar pandrecht op vorderingen

Een pandrecht wordt een openbaar pandrecht genoemd indien het uitdrukkelijk aan de debiteur wordt medegedeeld. Vanaf dat moment mag de debiteur alleen nog maar aan de financier betalen. Betaalt de klant dan toch aan zijn opdrachtgever/leverancier (de ondernemer ten laste van wie het pandrecht is gevestigd) dan loopt hij het risico dat hij nog eens moet betalen. Ditmaal aan de financier.

Omdat het zolang de kredietrelatie niet op scherp staat in het algemeen niet wenselijk is dat een pandrecht wordt medegedeeld, wordt er veelal voor gekozen dit nog niet mede te delen, zolang er geen problemen zijn met de betaling van de rente en aflossing van de lening. Er is dan sprake van een ‘stil’ pandrecht. Indien er later dan toch problemen ontstaan met de terugbetaling, kan de pandhouder/financier alsnog mededeling doen. Het stil pandrecht wordt dan omgezet in een openbaar pandrecht.

  • Een pandrecht is echter een beperkt recht en geeft de financier niet alle bevoegdheden die de pandgever/geldlener heeft ten aanzien van de vordering.

Een pandrecht geeft echter niet alle bevoegdheden van de schuldeiser aan de pandhouder. Uit de wet en recente rechtspraak volgt dat het pandrecht een minder sterk recht kan zijn dan wel wordt aangenomen.

De pandhouder is bijvoorbeeld niet bevoegd een regeling te treffen met de debiteur als er een geschil is over het geleverde. De pandhouder is zelfs niet bevoegd een betalingsregeling met de debiteur van de vordering af te spreken. Dit maakt het bijvoorbeeld lastig voor de bank/financier om de vorderingen te laten incasseren door een incassobureau.

  • Als de pandgever failleert is samenwerking tussen pandhouder en curator  in sommige gevallen noodzakelijk voor de pandhouder

Met name indien de geldlener (pandgever) failleert, zal de bank zich moeten verstaan met de curator van de geldlener. Indien de voornoemde beperkingen niet zouden gelden, zou de bank zich niets van de curator behoeven aan te trekken. In de praktijk maken bank en curator regelmatig afspraken waarbij de curator tegen een vergoeding voor de inning van de vorderingen zorgt.  Daarbij kan de curator zo nodig regelingen treffen met de debiteuren van de gefailleerde. De curator kan ook gebruik maken van termijnstelling. Dit kan de curator bijvoorbeeld doen indien de bank treuzelt met het incasseren van de vordering. Wordt die termijn overschreden, dan wordt de curator bevoegd. De pandhouder loopt vervolgens het risico dat hij niets van de door de curator geïncasseerde vordering terugziet.

  • Kan de leningnemer c.q. pandgever afstand doen van de vordering en wat zijn de gevolgen voor het pandrecht van de financier? Recente jurisprudentie.

Een uitspraak van de Hoge Raad uit 2014 maakt nogmaals duidelijk dat een pandrecht op een vordering soms minder zekerheid biedt dan gedacht. In de zaak die tot dit arrest leidde had de pandgever de vordering op zijn klant/debiteur kwijtgescholden.

In de betreffende zaak had de pandgever een vordering op een wederpartij verpand aan zijn financier (IAE). Het betrof een conflict over een distributieovereenkomst met betrekking tot een verjongingsmiddel (Immun’age). Die vordering werd door de wederpartij (Neo-River) betwist. IAE begon een procedure om de vordering te kunnen incasseren. Daartoe was zij op grond van haar pandrecht bevoegd. Tijdens de procedure toonde Neo-River stukken waaruit bleek dat de pandgever afstand had gedaan van haar vordering. IAE stelde dat zij als pandhouder met die afstand niets van doen had.  Omdat zij als pandhouder inningsbevoegd was, was de pandgever volgens haar niet bevoegd tot het doen van afstand. De Hoge Raad oordeelde echter anders.

  • De financier loopt dus het risico dat zijn pandrecht gefrustreerd wordt doordat de geldlener/pandgever de vordering waarop het pandrecht is gevestigd kwijtscheldt.

In een uitspraak van 9 december 2016 heeft de Hoge Raad echter een beslissing genomen die de bevoegdheden van de pandhouder verruimd. De pandhouder is na mededeling van het pandrecht volgens de Hoge Raad ook bevoegd om het faillissement van de debiteur van de verpande vordering aan te vragen. Dat is een belangrijke bevoegdheid. Het aanvragen van een faillissement is namelijk een belangrijk middel om een debiteur te bewegen alsnog te betalen om aldus zijn faillissement te voorkomen. De pandgever mist na de mededeling van het pandrecht in principe die bevoegdheid.

  • De regels met betrekking tot pand zijn tamelijk ingewikkeld. De ondernemer en de geldlener die het pandrecht bedingt zijn niet altijd goed op de hoogte. Dit kan tot ongelukken leiden, omdat achteraf blijkt dat het pandrecht niet kan worden uitgewonnen.

In de praktijk komt het regelmatig voor dat er onduidelijkheid is over pandrechten. Het komt bovendien nog al eens voor dat een pandrecht niet rechtsgeldig blijkt te zijn gevestigd. Bijvoorbeeld omdat verzuimd is het pandrecht te laten registreren bij de Belastingdienst. Of omdat een pand-akte zodanig is opgesteld dat maar een beperkt deel van de vordering er onder valt.  Dit, terwijl bij een andere formulering de financier een veel ruimer pandrecht had kunnen bedingen. Indien u zelf vragen heeft over verpanding van vorderingen (of zaken) als zekerheid neem dan gerust contact op met een van de advocaten van de insolventiesectie van Beks & Beks.

auteur: mr. R.V. de Lauwere